Anna Maria van Schurman

‘Heilige of zondaar? Haar leven en het zeventiende-eeuwse vrouwbeeld.’

M.A.W.L.M. Abels (2007)

Niet Aletta Jacobs, maar Anna Maria van Schurman (1607-1678) was de eerste studente van Nederland. Al in 1636, kort na de oprichting van de Universiteit Utrecht, kreeg de jonge Anna Maria toestemming om zich in te schrijven aan de universiteit. Ze volgde colleges bij de letterenfaculteit, geneeskunde en koos als hoofdrichting theologie. Als eerste studerende vrouw in de Noordelijke Nederlanden verwierf ze bekendheid in binnen -en buitenland. Schurman werd door haar tijdgenoten vooral vanwege haar intelligentie geprezen, maar ook vanwege haar creativiteit en doorzettingsvermogen. Haar prestaties werden zowel door mannen als vrouwen bejubeld. Het ideale beeld rondom Schurman leek echter te vervagen toen ze openlijk afstand deed van de gereformeerde kerk. Anna Maria sloot zich in 1666 namelijk aan bij een kleine radicale sekte die werd geleid door de Fransman Jean de Labadie (†1674). Vanaf dat moment stond haar leven niet meer in teken van de wetenschap, maar werd ze volledig opgeslurpt door de labbadistenbeweging. In dit artikel zal worden gekeken hoe de overstap van een academisch leven naar een religieuze sekte, het beeld rondom Schurman bepaalde. Hoe kwam het dat de intelligente Anna Maria deze overstap maakte? Werd deze wending door tijdgenoten toegeschreven aan het vrouw-zijn van Anna Maria? En keken vrouwen anders naar de overstap dan mannen?

Haar Leven

Anna Maria werd geboren in Keulen op 5 november 1607. Haar vader heette Frederik van Schurman en haar moeder Eva van Harf. Anna Maria had drie broers waarmee ze samen opgroeide. Haar vader was uit Antwerpen afkomstig. Hij vluchtte vanwege zijn geloofsovertuiging naar Keulen en wist zich daar te vestigen. Frederik van Schurman was een overtuigd calvinist. In de opvoeding van zijn kinderen stonden bijbelstudie en de Heidelbergse Catechismus dan ook centraal. Daarnaast werd er groot belang gehecht aan status en komaf. De familie Schurman had verschillende aanzienlijke vrienden en waren via moederszijde verwant met de adellijke familie van Harf. 1  Anna Maria bleek al op jonge leeftijd een bijzonder intelligent meisje. Toen ze drie jaar oud was kon ze de bijbel al lezen en op haar vijfde kon ze schrijven. 2

Zelfportret Anna Maria van Schurman

In 1615 verhuisde de familie Schurman naar Utrecht. Toen Anna Maria acht jaar oud was betrok de familie een huis achter de Dom. 3 In Utrecht wist Anna Maria zich verder te ontwikkelen. Ze begon met tekenen, schilderen en beeldhouwen. Het niveau van haar kunst was hoog. Mogelijk werd Anna Maria geschoold en gestimuleerd door verschillende kunstenaars. De familie Schurman had namelijk diverse connecties binnen het prestigieuze Utrechtse kunstenaarsmilieu. Anna Maria stond ondermeer in contact met Roelant Savery, Crispijn van de Passe en Gerard Honthorst. De laatste prees het werk van de jonge Anna Maria veelvuldig. 4

Naast liefde voor kunst ontwikkelde Anna Maria ook interesse voor studie. Vader Schurman leerde zijn zoons Latijn te spreken en lezen. Als meisje werd Anna Maria niet direct bij het onderwijs betrokken. Ze luisterde echter wel op de achtergrond mee en wist te antwoorden als haar broers dit niet konden. Na de ontdekking van dit taaltalent besloot vader Schurman van het oude patroon af te wijken en zijn dochter ook te onderwijzen. Anna Maria bleek een talenwonder. Ze leerde naast Latijn ook Grieks, Duits, Italiaans, Engels, Frans, Hebreeuws, Chaladeeuws, Syrisch, Arabisch, Perzisch en Ethiopisch. 5

Zelfportret Anna Maria van Schurman gravure 1633

Hoewel de artistieke talenten intellectuele ontwikkelingen van Anna Maria opmerkelijk zijn, was het niet geheel ongewoon dat kinderen uit gegoede families zeer breed werden geschoold. Constantijn Huygens en de gebroeders de Witt, kregen bijvoorbeeld een opvoeding die speciaal was gericht op het kunnen functioneren binnen een adellijk milieu. Het spreken van diverse talen en kennis van kunst, cultuur en wetenschap stonden daarbij centraal. Ook verschillende gegoede meisjes kregen een dergelijke brede scholing, de gezusters Anna en Tesselschade Roemer Visscher konden bijvoorbeeld dichten, musiceren, kalligraferen en glasschrijven. 6 Dat de elitewereld in de Republiek zeer klein was, blijkt uit het contact tussen de Utrechtse Schurman met de Amsterdamse gezusters Roemer Visscher. Anna Roemer Visscher schreef voor haar dertienjarige vriendin Anna Maria in 1620 een lofdicht, waarin ondermeer haar schoonheid, talenkennis, kunstzinnigheid en muzikaliteit werd geprezen.

‘Laet uw’lieve kleene mondt,

Als het past, met reen en’grondt,

Mannen hoochmoedt doen verdwijnen;

Als gij Grieken en’ latijnen,

Dat geleerd’uijtheemsche volk

Toe kent spreken, zonder tolk’ 7

Ook mannelijke tijdgenoten waren vol lof over Anna Maria. De Utrechtse oudheidkundige en kunstkenner Arnoldus Buchelius schreef in zijn dagboek in 1627 over een bijzondere dame uit Utrecht ‘een meisje jong in jaren, maar wel geleerd in het Latijn’. Ook Constantijn Huygens en Caspar Barleaus waren op de hoogte van het bijzondere Utrechtse meisje. Barleaus schreef aan Huygens: ‘Er is in Utrecht een maagd, zeldzaam voorbeeldig. Ze kent Latijn en Grieks en spreekt het, ze schildert, schrijft en dicht.’ 8 Een andere bewonderaar was de dichter Jacob Cats. Hij schreef een gedicht over de intelligentie en werklust van Anna Maria:

‘En ’t werck der ving’ren bragt

dat van de geest tot rust.

’t Penceel, borduurnaald en

graveerstift was haar lust.

Op koper, glas en staal,

De hardste der juwelen;

Dan door de cimbel, luyt of

Violon te strelen

De slaap te ontbieden’ 9

In 1623 verhuisde de familie Schurman tijdelijk naar Franeker. De broers van Anna Maria gingen daar studeren aan de universiteit. In deze periode overleed vader Schurman. 10  De rouwende familie keerde na enkele jaren weer terug naar Utrecht, wellicht om oude vrienden en bekenden op te zoeken. Daarnaast was het voor de broers van Anna Maria ook mogelijk geworden om in Utrecht een academische studie te volgen. In 1636 werd namelijk de Universiteit van Utrecht opgericht. Een van de oprichters was de gereformeerde (contraremonstrantse) theoloog en professor Gijsbert Voetius (1588-1678). Hij zat in het feestcomité dat alle activiteiten rondom de opening van de universiteit organiseerde. Voetius vroeg de toen zeventwintigjarige Anna Maria van Schurman een Latijnse openingszang voor de universiteit te schrijven. Zij schreef vervolgens een gedicht waarin ze klaagde over buitensluiting van vrouwen aan de universiteit. Na haar opvallende klaagzang werd Anna Maria door (nota bene de precieze) Voetius toegelaten tot de universiteit. Ze kreeg toegang tot de openbare hoorcolleges (zij het achter een gordijn), waarmee zij de eerste officiële studente van Nederland werd. Ze volgde colleges aan de letterenfaculteit, de faculteit geneeskunde maar koos als hoofdrichting theologie. 11  Na deze toelating aan de universiteit werd Anna Maria nog beroemder en groeide haar status van geleerde vrouw uit tot grote hoogte.

Anna Maria publiceerde tijdens haar studiejaren het werk ‘Past het een Christenvrouw te studeren’. Met veertien stellingen onderbouwde ze het recht op studeren voor vrouwen. Het werk werd nog tijdens haar leven vertaald in het Frans, Italiaans, Duits en Zweeds. 12  Anna Maria probeerde naast haar productiviteit op verschillende vlakken vooral een kuis, rustig en religieus leven te leiden. Ze ergerde zich veelvuldig aan de grote massa, die zich in de praktijk niet hield aan de zuivere gereformeerde leer. 13 Waarschijnlijk werd Anna Maria in deze levenshouding vooral gestimuleerd door een bezorgde vader. Vlak voor de dood van Frederick Schurman werd Anna Maria namelijk nog eens goed op het belang van kuisheid gewezen. Schurman waarschuwde zijn dochter dat zij zich van de ‘onontwarlijken, verdorven, wereltschen huwelijksbant zou wachten’. 14 Mogelijk was vader Schurman bang dat het huwelijk zijn dochter af zou houden van haar creatieve en intellectuele ontwikkeling. Anna Maria nam het advies van haar vader in ieder geval zeer serieus, ze zou namelijk nooit trouwen.

Anna Maria bleef gedurende haar leven bezig met een religieuze zoektocht. Uiteindelijk leek ze zich het meeste thuis te voelen bij de sekte der Labaddisten, die door de Fransman Jean Labadie werd aangevoerd. Labadie was in zijn jeugd door jezuïeten opgevoed en had gedurende die periode een grote afkeer van de katholieke scholastiek en mystiek ontwikkeld. Hij stapte daarom over naar het calvinisme. Anna Maria was via één van haar broers in contact gekomen met Labadie. Tijdens hun ontmoeting raakte ze diep onder de indruk van de welbespraaktheid van de Fransman. Ze realiseerde zich dat kennis niet het hoogst haalbare was. Anna Maria bekeerde zich en bleef Labadie vanaf 1666 tot aan zijn dood in 1674volgen. 15

Jean de Labadie circa 1700

Jean Labadie werd predikant in Middelburg en Veere.Vanwege zijn gecompliceerde karakter boterde het niet met zijn kerkelijke gemeentes en moest hij ontslag nemen. Hij vestigde zich vervolgens in Amsterdam. Na vele conflicten met belangrijke personen uit de gereformeerde wereld, scheidde Labadie zich in 1668 – tijdens de Synode van Naarden – officieel af van de gereformeerde kerk. Anna Maria bleef hem tijdens al deze opmerkelijke verwikkelingen actief volgen en steunen. 16 Jean Labadie vestigde zich met zijn volgelingen in een groot woonhuis in Amsterdam. Ook Anna Maria van Schurman trok bij Labadie in. Ze stopte zelfs al haar geld in de sekte. In 1670 kwam werd een nieuw stadsbestuur in Amsterdam aangesteld. De nieuwe magistraat was minder tolerant en zette de labadisten buiten de Amsterdamse stadspoorten. Het hele gezelschap verhuisde vervolgens naar Herford in Westfalen. In het Duitse gebied schreef Labadie talloze pamfletten. De labadisten leefden een sober en ascetisch bestaan. Ook op zondag werd er gewerkt. Huwelijken werden binnen de groep en zonder formaliteiten gesloten. Tijdens gebeden werd er gedanst en omarmde men elkaar. 17 Deze opmerkelijke rituelen zorgden ook in Duitsland voor onrust. Het gezelschap van ongeveer vijftig man verhuisde onder maatschappelijke druk, daarom naar het Friese Wieuwerd. In 1674 stierf Jean de Labadie in Friesland en werd Anna Maria van Schurman de leidster van de sekte. 18

Anna Maria maakte van de labadisten in Friesland een rustige kloosterachtige, gesloten groepering. In deze periode publiceerde ze haar beroemde (autobiografisch getinte) werk Eukleria seu Melioris Patris Electio. Hierin beschreef ze onder andere haar visie op godsdienst en kerk van die tijd. Daarnaast doet Anna Maria in Eukleria nadrukkelijk afstand van haar oude ‘wereldse werk’, waarmee ze duidelijk haar overstap naar de labbadisten onderstreept. Ze schrijft in Eukleria over haar vroegere werk het volgende; ‘die na zulken lossigheit van mijn gemoed, of na dien ydelen en wereltsen geest rieken’. 19

Hervormde Kerk in Wieuwerd

Anna Maria stierf op 4 mei 1678 in Wieuwerd. Na haar ontmoeting met de eigenwijze Jean Labadie veranderde Anna Maria van een beroemde, wereldse en geleerde vrouw in een teruggetrokken mens. Ze gaf al haar wereldlijke geneugten op, om haar idool Labadie te volgen. Anna Maria moet Labadie hebben geadoreerd. Haar keuze voor de sekte staat namelijk recht tegenover haar prestigieuze opvoeding, waar geleerdheid, afkomst en status juist als zeer belangrijk werden ervaren. Uiteindelijk werd Anna Maria begraven bij de kerk in Wieuwerd. Mogelijk ligt ze in de grafkelder onder de kerk, dat ook wel ‘Het wonder van Wieuwerd’ wordt genoemd. Deze bijnaam heeft de kelder ‘aan de speciale luchtvochtigheid te danken. In de grafkisten liggen nog steeds verschillende lijken die op onverklaarbare wijze tot mummie zijn veranderd. 20

Anna Maria en de positie van vrouwen in de zeventiende-eeuwse Republiek

Het leven van Anna Maria is duidelijk in twee periodes te verdelen. Haar publieke intellectuele bestaan en het teruggetrokken leven binnen een sekte. Met name haar periode als ‘publiek figuur’ is uitzonderlijk te noemen. In de zeventiende eeuw was het namelijk ongewoon dat vrouwen door arbeid onderwijs of bestuurlijke functies op de voorgrond traden. De Utrechtse historica Els Kloek werpt een heldere blik op vrouwenarbeid in de zeventiende eeuw. Gedurende de middeleeuwen zouden vrouwen een grote mate van economische zelfstandigheid hebben genoten. Dit kwam door het zogenaamde huisindustrieelstelsel dat ervoor zorgde dat vrouwen eenvoudig mee konden doen in het arbeidsproces. Door het uitsterven van stelsel, werden vrouwen echter steeds meer teruggedrongen uit de verschillende ambachten, waardoor hun beroepsmogelijkheden uiteraard werden verminderd. 21 Vrouwen deden vanaf de vijftiende eeuw dus steeds minder vaak mee in het arbeidsproces.

Ondanks afname van vrouwen in de arbeidsomgeving bleven ze in de vroegmoderne tijd – hoewel op kleinere schaal – nog steeds werken in de samenleving. Er zijn bijvoorbeeld diverse gevallen bekend van weduwen die de zaak van hun overleden man overnamen. Maria Anxct was weduwe van de beroemde Antwerpse drukker Jacob van Liesvelt. Hij kreeg midden zestiende eeuw de doodstraf voor het drukken van de eerste complete Nederlandstalige bijbelvertaling. De bijbels waren gebaseerd op de verboden teksten van Luther. Toen Liesvelt was overleden, nam Maria Anxct samen met haar zoon de drukkerij van haar man over. 22 Er zijn ook diverse Hollandse weduwes bekend die bijvoorbeeld de brouwerij of bakkerij van hun overleden man overnamen. Naast het uitoefenen van dergelijke mannenberoepen waren er in de zeventiende eeuw ook typische vrouwenberoepen, zoals ziekenverzorgster, onderwijzeres en huishoudster. Daarnaast waren er vele zeer laag gewaardeerde beroepen, waarmee armlastige vrouwen zich in hun onderhoud trachtten te voorzien, zoals tonster, vlasraapster, turfsteekster en visvrouw. 23

Naast het ontbreken van een grote vrouwelijke arbeidsbevolking waren er ook weinig vrouwen die degelijk (hoger) onderwijs genoten. Er bestond geen officieel verbod op onderwijs voor vrouwen en verschillende jonge meisjes leerden dan ook wel lezen. Er waren echter weinig hoogopgeleide vrouwen: het kleine groepje geleerde dames onderhield nauw contact met elkaar. Schurman correspondeerde gedurende haar leven bijvoorbeeld met verschillende gelijkgestemde vrouwen die al op jonge leeftijd onderwijs op hoog niveau hadden genoten. Een voorbeeld daarvan is Elizabeth van de Palts (1618-1680), dochter van Frederik V, keurvorst van de Palts. Daarnaast had Anna Maria ook contact met de geleerde koningin Christina van Zweden (1625-1689) en Bathsua Makin die aan het hof van de Engelse Karel I les gaf. 24 Net als Anna Maria van Schurman waren al deze vrouwen afkomstig uit gegoede families.

Louise Maria van de Palts Sir Peter Lely

Ten slotte is het interessant om kort naar vrouwen in bestuurlijke posities te kijken. Op het eerste gezicht lijken weinig vrouwen leidinggevende functies te hebben bekleed. Zo bestonden de talloze stadsbesturen, gildebesturen en de kerkenraden geheel uit mannen. Hoewel vrouwen niet in aanmerking kwamen voor deze functies waren er wel degelijk bestuurlijke ambten voor hen weggelegd. Er waren bijvoorbeeld vrouwen die de regentes waren van een weeshuis of aan het hoofd stonden van een school. Daarnaast waren er in de Republiek verschillende oudevrouwenhuizen waar vrouwen de scepter zwaaiden of als binnenmoeders werkzaam waren. 25 Het is opmerkelijk dat Anna Maria van Schurman tijdens haar teruggetrokken leven in de sekte ook een ‘bestuurlijke positie’ wist te bekleden. Na het overlijden van De Labadie in 1674 en werd Anna Maria namelijk leidster van de labbadistensekte.

In de zeventiende eeuw was het niet per definitie ongewoon gevonden dat vrouwen meededen in het publieke leven. Ondanks deze mogelijkheden had de vrouw als eerste taak het baren en verzorgen van kinderen. Meedoen in het publieke leven kwam voor de meer welgestelde vroegmoderne vrouw daarom vaak op de tweede plaats. Het is belangrijk te vermelden dat er gedurende de zeventiende eeuw nauwelijks voorbehoedsmiddelen waren. Vrouwen waren een groot gedeelte van hun leven zwanger wat optreden in een het openbare leven bemoeilijkte. Bovendien vond er in de zeventiende-eeuwse Republiek een enorme economische groei plaats. Door deze groei werden vrouwen minder vaak gedwongen tot het uitvoeren van handwerk voor extra inkomsten. Vrouwen konden zich door de economische vooruitgang makkelijker toeleggen tot de opvoeding van hun kinderen dan voorheen (in de middeleeuwen) het geval was. Dat gold uiteraard niet voor de brede onderlaag van armlastige inwoners van de Republiek.

Een vrouw kon alleen voor een openbaar bestaan kiezen als zij kinderloos was, een religieus bestaan leidde (zoals de katholieke klopjes 26 ) of omdat ze uit financiële noodzaak tot dit bestaan werd gedwongen. Ten slotte kon een vrouw uit een gegoede familie makkelijker voor een openbaar bestaan kiezen dan een gewone burgervrouw. Het bekleden van een bestuurlijke functie of het leiden van een studerend bestaan kon alleen als er genoeg financiële middelen beschikbaar waren en als de vrouw over de juiste contacten beschikte. Anna Maria van Schurman lijkt goed in deze these te passen. Ze kwam uit een gegoede familie, beschikte over een netwerk van verschillende hooggeplaatste contacten en bleef man- en kinderloos.

Anna Maria en het zeventiende-eeuwse vrouwbeeld in de Republiek

Hoewel de vrouw niet werd verbannen uit het openbare leven, werd zij wel anders beoordeeld dan haar mannelijke tijdgenoten. In een artikel van Mirjam Baar en Brita Rang is de receptiegeschiedenis rondom Anna Maria van Schurman bestudeerd. Geschriften van mannelijke tijdgenoten van Anna Maria, geven duidelijk weer hoe er in het algemeen naar de zeventiende-eeuwse vrouw werd gekeken. 27

Tijdens de beginjaren van het leven van Anna Maria van Schurman ontstond er een zeer positief beeld omtrent haar persoon. De Franse karmeliet Louis Jacob schreef 1646 een lofzang over Schurman. Het traktaat werd geschreven voor een encyclopedie van geleerde vrouwen. Louis Jacob beschrijft haar goede afkomst en opvoeding. Daarnaast prijst hij haar activiteiten en typeert hij van Schurman als ‘wonder der natuur’. 28 De dichter en raadspensionaris Jacob Cats (1577-1660) was eveneens gecharmeerd van Anna Maria. Schurman stuurde hem dusdanig goede en ingewikkelde lofdichten dat hij onder de indruk raakte van haar schrijfkwaliteiten. Het tweetal correspondeerde regelmatig met elkaar. In 1637 publiceerde Jacob Cats het boek Trou-ringh. Hij droeg het werk op aan Anna Maria. ‘Aent wonder stuck van onsen tijt, dat ghij, o jonckvrou Schuermans zijt staat in dit werk geschreven.’ 29  Schurman stond daarnaast in goed contact met Constantijn Huygens, Arnoldus Buchelius en Caspar Barleaus. Alle heren waren zeer positief over de creatieve en intellectuele prestaties van Anna Maria. 30

In 1634 bracht Anna Maria van Schurman een bezoek aan de -in de Republiek in ballingschap levende – René Descartes (1596-1650). Het tweetal hield zeker zes jaar lang contact met elkaar. Descartes prees de intelligentie van Anna Maria, maar raakte ook geregeld met haar in discussie verzeild. Anna Maria was in die tijd een volgeling van Voetius. Deze religieuze leidsman wees de ideeën van Descartes radicaal af. Ook Anna Maria stond – wellicht door Voetius – sceptisch tegenover zijn ideeën. Descartes publiceerde in 1641 zijn boek Meditaties waarin hij abstracte ideeën interessant probeerde te maken voor vrouwen. Wellicht heeft onder andere Anna Maria van Schurman hem geïnspireerd tot het schrijven van dit werk. 31

Anna Maria vond het ook belangrijk om contact te onderhouden met geleerde vrouwen. Eén van haar vriendinnen was de eerdergenoemde Elizabeth van de Palts (1618-1680). Anna Maria en Elizabeth correspondeerde gedurende lange tijd met elkaar. Ze schreven voornamelijk over intelligente kwesties zoals natuurkunde, astrologie en vrouwengeschiedenis. Toen Anna Maria in 1670 onderdak zocht voor zichzelf en de labbadistengroep, bood Elizabeth hen zelfs een plaats aan in haar klooster Westfalen. 32  Koningin Christina van Zweden was ook een bewonderaarster van Anna Maria. Waarschijnlijk heeft ze met van Schurman gecorrespondeerd en hebben de vrouwen elkaar zelfgemaakte portretjes gestuurd. 33

Ten slotte de eerder genoemde Batshua Makin (ca.1600-1676). Ze was een Engelse geleerde die aan het hof van Karel I in Engeland les gaf aan prinses Elizabeth. Anna Maria en Makin correspondeerde voor lange tijd met elkaar. De briefwisselingen gingen over geleerde én religieuze zaken. Makin roemde in haar studies geregeld werk van Anna Maria. 34 Beide dames betoogden dat studie voor vrouwen nuttig zou zijn. 35

Tot 1674 is de berichtgeving over Schurman en zojuist beschreven correspondentie zeer positief. Anna Maria is een voorbeeld voor geleerde tijdgenoten en dient voor sommige mensen zelfs als bron van inspiratie en navolging. Na het verschijnen van het werk Eukleria in 1674 – waarin Anna Maria over de ideeën van Jean de Labadie schrijft en afstand doet van haaroude werk – lijkt dit beeld echter te veranderen. Door Labadie te volgen scheidde Anna Maria zich officieel af van de gereformeerde kerk. De gereformeerde kerk was de bevoorrechte religie in de Nederlanden. De bestuurlijke (en gedeeltelijk ook) de culturele elite had bij deze kerk aangesloten. De gereformeerde kerk was hierdoor een belangrijk en invloedrijk instituut geworden. De overstap van Anna Maria bleek veel invloed te hebben op haar geloofwaardigheid. In een publicatie over geleerde vrouwen uit de jaren ’70 van de zeventiende eeuw meldden de geleerden Jacob Thomasius en Johannes Sauerbrei dat Anna Maria spinnenkoppen zou eten. Mogelijk bedoelden de auteurs hiermee sleedoornbessen. Later werd echter door verschillende lezers aangenomen dat Anna Maria daadwerkelijk spinnen at, waarmee het beeld rondom haar door weinigen begrepen keuzes beeldend werd ondersteund. 36

De overstap naar De Labadie had ook invloed op vriendschappen van Anna Maria. Constantijn Huygens had al eerder kritiek geuit op haar zedige levensstijl. Hij schreef over een seksueel getint boek; ‘Jufffr. Schurman zal sommige gedeelten wel overslaan’. Een plagerij over kuisheid was niet de enige kritiek van Huygens. Toen Anna Maria volgeling werd van Jean de Labadie werd het contact namelijk geheel verbroken. 37 Ook met René Descartes kwam het tot een breuk en wederom was religie het breekpunt. Toen Descartes tegenover Anna Maria beweerde dat bijbelstudie nutteloos zou zijn, verbrak zij het contact. 38

In de lofzangen die in dit essay zijn behandeld komt voornamelijk het vernuft van Anna Maria voren. Het is opmerkelijk dat juist mannelijke tijdgenoten haar intelligentie prijzen als een uitzonderlijk fenomeen. De overstap naar Jean de Labadie bleek voor veel mannelijke vrienden echter een reden om het contact op te zeggen. Ze leken niet te hebben begrepen waarom een vrouw met een dergelijke intelligentie zich bij een sekte zou willen aansluiten. Vrouwelijke vrienden lijken daarentegen een minder groot probleem te hebben gehad met Anna Maria’s religieuze voorkeuren. Anna Maria correspondeerde na haar overstap nog lange tijd met Makin over religie en kreeg zelfs ondersteuning van Elizabeth van de Palts toen ze hulp vroeg uit naam van Jean de Labadie.

Vanuit genderperspectief lijkt het of de mannelijke tijdgenoten van Anna Maria alleen begrip hadden voor de intelligente, wereldlijke Anna Maria. Ze prezen haar werk en persoon. Volgens hen was het ongekend dat een vrouw dusdanig intelligent kont zijn. Vrouwelijke tijdgenoten lijken in deze voorbeelden minder waarde te hebben gehecht aan de spirituele voorkeuren van Anna Maria. Bovendien lijken de vrouwen haar intelligentie vanzelfsprekender te vinden. Anna Maria maakte vanuit een diep religieus verlangen en bewondering voor Labadie de keuze om zich bij de sekte aan te sluiten. Wellicht hadden vrouwen meer begrip voor de overstap naar Labadie omdat het hier een gevoelskwestie betreft. Ook het navolgen van een man voor de zeventiende-eeuwse vrouw als vanzelfsprekend worden gezien.

  1. P. van Beek, De eerste studente. Anna Maria van Schurman, (Utrecht 2004), 11.
  2. M. Brouwer, Vrouw van de wereld, het leven van Anna Maria van Schurman, (Franeker 2007), 15-17.
  3. J.H., Kruizinga, Anna Maria van Schurman. Wonderkind uit de gouden eeuw (1607-1678), (Leleystad 1978), 1-2.
  4. R. de Bruin, ‘Tussen Vredenburg en Hoog Catharijne, Utrechtse kunstenaars tegen de achtergrond van de stedelijke geschiedenis’, in: H. Adriaans e.a., De Utrechtse parade, van Scorel tot Rietveld en Koch, 1495-1995 (Utrecht 1994), 11-84.
  5. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 5.
  6. Beek, De eerste studente, 19.
  7. Beek, De eerste studente, 19.
  8. Beek, De eerste studente, 28-29.
  9. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 3-4.
  10. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 5.
  11. Beek, De eerste studente, 7.
  12. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 8.
  13. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 9.
  14. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 6.
  15. E. Scheenstra, ‘Over de ‘goede keuze’ van Anna Maria van Schurman’, in: M. de Baar (e.a.), Anna Maria van Schurman 1607 – 1678. Een uitzonderlijk geleerde vrouw, (Zutphen 1992), 123-138.
  16. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 12-13.
  17. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 14.
  18. M. Brouwer, Vrouw van de wereld, 39.
  19. M. de Baar, ‘Wat nu het kleine eergeruchtje van mijn naam betreft…’ De Eukleria als autobiografie’, in: M. de Baar (e.a.), Anna Maria van Schurman 1607 – 1678. Een uitzonderlijk geleerde vrouw, (Zutphen 1992), 93.
  20. Kruizinga, Anna Maria van Schurman, 14-15.
  21. E. Kloek, Wie hij zij, man of wijf, Vrouwengeschiedenis en de vroegmoderne tijd, (Hilversum 1990), 48
  22. A.A. Den Hollander, De Nederlandse Bijbelvertalingen 1522-1545 (Nieuwkoop 1997), 28-30.
  23. I. van der Vlis, Leven in armoede. Delftse bedeelden in de zeventiende eeuw, (Rotterdam 2001), 199.
  24. M. Brouwer, Vrouw van de wereld, 33-34.
  25. J. Dane (red.), Wezen en boefjes, Zes eeuwen zorg in wees -en kinderhuizen, (Hilversum 1997), 86-87.
  26. M.A.W.L.M. Abels ‘Tussen sloer en heilige’. Beeld en zelfbeeld van Haarlemse en Goudse kloppen in de zeventiende eeuw, (Ter perse 2009), passim.
  27. M. de Baar en B.Rang, ‘Minerva of savante, heilige of dweepster. Receptiegeschiedenis van Anna Maria van Schurman sedert de zeventiende eeuw.’, in: M. de Baar (e.a.), Anna Maria van Schurman 1607 – 1678. Een uitzonderlijk geleerde vrouw, (Zutphen 1992), 9.
  28. Baar, ‘Minerva of savante’,12.
  29. Brouwer, Vrouw van de wereld, 32.
  30. Brouwer, Vrouw van de wereld, 32-33.
  31. Brouwer, Vrouw van de wereld, 33.
  32. Brouwer, Vrouw van de wereld, 33.
  33. Brouwer, Vrouw van de wereld, 33.
  34. Roothaan, A.C.M., Anna Maria van Schurman, Verhandeling over aanleg van vrouwen voor wetenschap, (Groningen 1996).
  35. Brouwer, Vrouw van de wereld, 34.
  36. M. de Baar, ‘Minerva of savante’, 12-13.
  37. Brouwer, Vrouw van de wereld, 32-33.
  38. Brouwer, Vrouw van de wereld, 33.
Dit bericht was geplaatst inGeschiedenis and tagged , , . Bookmark the permalink. Zowel reacties als trackbacks zijn gesloten.